de regels ener monniksorde, waren geboren uit het geslacht Wernizek-Bolnanyi.
Otto heeft geleerd te wachten. Wachtend ziet hij rond en herkent de kamer, herkent ze en herkent ze niet. Stofdraden hangen langs de zoldering en tussen de meubels; een gordijn is onmachtig uit de ringen geschoten, een gescheurd voetkussen steunt een kreupele dien taf el. Dat is niet zo geweest voor hij wegging. Natuurlijk hebben de vrouwen nooit het huiswerk verricht als een geschoolde dienstbode, hijzelf kon zien dat ze hun stofdoek maar dilettantisch hanteerden, nooit heeft hier de pijnlijke noord-duitse zindelijkheid geheerst, die men kan waarnemen, ruiken zelfs, in kleinburgerlijke gezinnen. Maar het was juist het wonder van tante Paula’s aanwezigheid, dat rondom haar alle dingen hun aanzijn en vorm behielden. De Makart-? bouquetten, de echte, door Makart zelf geschikt, behielden hun onnutte gratie van wuivende grassen en veren, bleven jong, en de gobelinkussens op haar stoelen lagen daar, fris en onbezoedeld, of ze hun wonder-tere tinten uit een onvergankelijke wereld hadden meegebracht.
Nu hangen de Makartgrassen geknakt neer, de groene papegaaienveren zijn bespikkeld met vliegenvuil. En op het overtrek van zijn stoel plekt een grote grijze vetvlek, het palissander tafelblad is bedekt met uitgebeten kringen. Zijn hand glijdt over het geschonden vernis, - dan ziet hij snel op.
‘Moet u niet eten?’ vraagt hij. Het is hem nu eerst opgevallen dat de tafel niet gedekt is en er ook nergens sporen van een afgelopen maaltijd zijn te zien. ‘Hebt u niet gegeten?’ herhaalt hij, duidelijk articulerend als voor een dove, - ze schudt neen en zegt niets. Het schijnt haar te veel inspanning te kosten om de lippen HO