hij veel te gezond en te groot en te goedgekleed voor haar staat, — maar dan steekt ze slapjes een mager geel handje uit met lange zwarte nagels en als Otto dat passieve dunne handje tussen de zijne neemt, vindt hij daar niets meer, geen schaamte, geen vreugde om zijn komst, geen enkele aandoening. Het doet pijn, er is een zwarte holte in zijn hart waaruit de pijn zich zwellend verspreidt, en dan dringt hij de kleine bleke vrouw naar binnen, hij sluit de deur en neemt haar tegen zich aan, hij strijkt over het benige hoofdje met zijn grote, warme handen. Hij wil dat ze iets zeggen zal, of huilen, of lachen, hij wil dat ze haar armen om hem heen zal leggen, - maar wat hij daar tegen zich aanhoudt is nog slechts een inert, dor lichaampje, dat niet meer reageert.
Hij laat haar los. ‘Waar is Lili, tante Paula?’
Ze wijst naar de slaapkamer. ‘Lili is bezig zich aan te kleden.’
Achter haar aan loopt hij de eetkamer binnen, zijn koffer staat daar al, de lelies liggen er naast op de grond. Hij raapt ze op en legt ze op tafel, dan kijkt hij rond. Het is halfduister en dat is vreemd op een junimiddag, zelfs in de Luftbadgasse, maar hij ziet hoe het komt, de jalouzieën zijn niet opgehaald. Ook de dubbele ramen zijn nog gesloten, een weeë lucht van vergaan weefsel en oud hout hangt in de kamer met de armzalige uitwaseming van ongewassen oudevrouwenkleren. Het is er niet broeierig, op deze hete dag, alleen muf, verstikkend muf, de kamer staat als een blok verstikking om Otto heen.
‘Mag er een raam open?’ Hij kan het niet helpen, hij heeft het moeten zeggen, het is niet uit te houden in deze atmosfeer. De oude vrouw zwijgt, ze heeft zich aan tafel laten zakken, er is niets aan haar dat beweegt. Ot-108