en pratende, lachende stemmen. In de Hausflur tapt een jongmaatje schuimende kannen bier uit een donker, vochtig vat en Otto voelt, naast hem staande, hoe koel dit bier moet zijn. Hij zou wel langer willen kijken, maar de jongen draait de tapkraan toe en draagt zijn kannen naar binnen.
Boven, bij de Jonathans, doet de werkster hem open. ‘Ik heb uw zaakjes al hiernaast af gegeven,’ zegt ze, en verwondert zich dan, dat Otto niet dankbaarder kijkt. Hij bedankt wel, maar flauwtjes, en terwijl ze naar binnen gaat, haalt ze haar schouders op. Maar zij kan ook niet weten, dat Otto zich al had voorgesteld hoe tante Paula de witte takken uit zijn handen zou nemen.
Nu heeft hij gebeld en nog duurt het een poosje eer hij iemand hoort komen, maar hij belt niet voor de tweede maal. Binnen gaan doffe voetstappen rond, alleen de vloer kraakt nu en dan. Otto denkt aan dikke zwarte viltschoenen, zo liep de nachtverpleegster na zijn blindedarmoperatie. Dan gaat toch nog onverwachts de huisdeur open - in de opening staat een gebogen, groezelig vrouwtje op gebreide platte pantoffels. Tante Paula, - is dit tante Paula?
‘Neen,’ verweert Otto zich, ‘neen, - welneen, - het kan niet - dat mag niet, - dat kan eenvoudig niet!’ Maar tegelijk heeft hij al gezien dat tante Paula’s witte haren in een dun, onordelijk toetje zijn opgestoken midden op een klein oude-vrouwenhoof dj e, en dat haar arme, bleke schilferige schedeltje overal zichtbaar is tussen nog maar dun geplant haar. Het is het eerste wat hij ziet en hij moet het wel zien, want tante Paula staat met gebogen hoofd voor hem, zij kijkt niet op, haar armen hangen slap langs een vlekkerig zwart rokje. ‘Schaamt ze zich?’ denkt Otto, hij voelt zelf wel dat
107