Hij kijkt op zijn horloge. Kwart voor twee, hij zal maar betalen en naar de Luftbadgasse gaan.
Otto gaat door de straten en ziet rond, alles is goed en bekend. De stad neemt hem in haar armen als een lieve moeder haar kleine jongen, ze wijst hem: zie je dit, zie je dat? en alles is zoals het moet zijn, ook al mag het, na Amerika, even ontoereikend schijnen. Hij loopt over de hobbelige straatkeien en voelt ze plezierig door zijn zolen, hij glimlacht naar de jonge meisjes die naar hun ateliers gaan met goedkope bloemetjes langs hun hoedjes. Hij heeft zelfs plezier in de onbeholpen opmaak van hun geschminkte gezichtjes. Hij is ze dankbaar dat ze niet lijken op de Amerikaanse vrouwen die hij kent, en die niet meer zijn dan een schil, een mooie, gladde, welverzorgde schil om een vreemde poespas van bijgeloof, zinnelijkheid en egoïsme. Hier lopen deze kinderen en zijn nog zoals Roserl vroeger was, ronde, warmlevende volkskinderen zonder perversiteiten.
En dan staat hij voor het Apollotheater en daalt de vierendertig treden af naar de Luftbadgasse.
De Luftbadgasse is nog aan het middageten. De kinderen zijn binnengeroepen, alleen de duiven trippelen op koraalrode pootjes in het midden van de straat en zoeken drukdoend tussen het af val. Het weelderig blauw en groen van hun glanzige borstjes schuift rondend in en uit onder staalgrauwe vleugelpennen. Otto staat stil om naar de bewegelijke beestjes te kijken, het is hem alsof hij vandaag voor het eerst ziet hoe een duif is. Hij blijft staan tot de ganse vlucht, een voor een, klapwiekend omhoog is gedreven, dan gaat hij tevreden verder.
Ook de Hodls zijn aan het middageten, uit de woonkamer klinkt een hoog, roezemoezig gedruis van eetgerei 106