had hij niet eens haar passagegeld. Onzin!
‘Maar waarom ben ik niet hier gebleven?’ Hij voelt het in een diepe zucht, ja - daar gaat het om. Het lijkt nu heel onmogelijk dat hij voor drie jaar dit alles zo haastig heeft kunnen achterlaten, de stad, waarin ieder gebouw, en de trams, de bomen, de aanplakzuilen, tot de vuilniswagens toe, hem aanzien met hun eigen, onverwisselbare physionomie, de mensen die zijn eigen taal spreken, - en het meisje dat hem zo een-* voudig en dapper liefhad in al zijn armoe.
Natuurlijk, hij weet wel waarom hij niet is gebleven, hij kan al zijn argumenten wel weer langs zijn vingers gaan optellen. Geen eten, geen kleren, geen enkele hoop, — en ginds het aanbod van een behoorlijk betaalde werkkring. Secretaris van een orkestdirigent, -* het is werkelijk een geknipt baantje voor iemand die aan een kadettenschool is opgeleid en nu niets bruikbaars kent dan perfect Frans en Engels, maar toevallig wat van muziek afweet. ‘Een Wernizek-Bolnanyi kon toch zeker geen straatveger worden in Wenen?’ vraagt Otto zich, en dan, plotseling, weet hij het onvermoed antwoord op de vraag. ‘Waarom niet?’ is het antwoord. En Otto staat eensklaps recht tegenover zijn adeltrots. Nu, na drie jaar in Amerika, moet hij zich bekennen: ‘Verdraaid, ik had nog beter de straat kunnen vegen in Wenen. Betekent een Wernizek dan wel iets in Cleve-land? Ik had me over alles heen moeten zetten, — dan stond ik nu op een wagen van de Ringlinie of regelde het verkeer aan de Schwedenbrücke.’ Hij zucht. ‘Misschien heb ik het toen ook maar alleen gelaten om tante Paula.’ En daar ligt nu het ware antwoord voor hem, klaar en duidelijk. Ja, natuurlijk heeft hij het gelaten om tante Paula, — om wat het voor tante Paula zou zijn als de enige valide Wernizek zijn brood ver-104