— Hou je smoel fent — je meint d’r ommers gein bliksem fan!
— Ik ben aan____
— Je preufelt uit je nek!
— Je bent loazerus!
— Seg trek je wourde in, grinnikte schele Ko. Mot jai Joupie kwast loaserus noeme.
— Kameraden!
Zijn stem donderde nu over de zaal en hij balde verwoed beide vuisten. Nu vleiden zijn woorden niet meer, maar sneed elke lettergreep door de zielen der mannen. Zij voelden nu iets komen — en zwegen ademstil.
— Mannen — vakgenooten — moet ik dan nog langer den draak spelen met den prachttoestand waarin wij leven en werken, om jelui in je koppen te trommelen dat er iets moet gebeuren, dat er verandering moet komen. Wij zijn zoo blij — we hebben het zoo goed. En — nietwaar Smikkel — wij leven in Abraham’s schoot. Vanaf Januari, in die stomme acht maanden, heb ik driemaal een maat
zien naar beneden flikkeren — neerflikkeren g. v. d.....
Twee zijn finaal kapot gevallen en de derde hinkelt zoo goed en kwaad als het gaat langs den weg, bij de gratie van Smikkel z’n Christus. Dat is alleen aan mijn winkel
gebeurd____waar blijven jelie nou nog? Die arme duivels
verdienden drie en twintig centen per uur — dertien magere guldens in de week. En voor dat armzalige weekloontje moeten wij dag aan dag de kans loopen, eiken dag opnieuw, ons leven ellendig kwijt te raken. En — was dat gevaar nog maar louter aan toeval te wijten, aan misstap of onvoorzichtigheid — maar nee — ik mag wel haast spreken van moedwil. Ja, van moedwil, godverdomme.
Als wij in drift — een kerel een klap op zijn smoel 24