34 TROUWEN.
niet beven, alsof ik je beleedigde, je brutaliseerde......
— Ik beef niet van je zoen, Simon — maar — geloof mij, ik kan nou eenmaal niet tegen liefkoozingen.
— Je kan er niet tegen ? Waarom niet ? Zeg liever — je houdt er niet van, omdat ik het ben — omdat je niet van mij houdt.
— Dat jok je...... dat staat je leelijk.
Ik hou wél van je...... Wie zegt van
niet ‘?
— Niemand — dan jijzelf, ’t Is misschien waar — je houdt wellicht van me zooals je van een kat of een vogel zou houden. Je gevoel voor mij uit zich hier in, dat je aan mij geen hekel hebt.
— Wat ’n onzin.
— ’t Is geen onzin. Wil jij dan blijven volhouden, dat je van mij houdt als van je aanstaande man ? En —-en — je kan