TROUWEN. 21
Ja — hij had het tevoren niet durven droomen; nu ze hem haar jawoord tot bevestiging gaf kón hij niet anders dan gelooven. Ze hield van hem, van den stillen, bedeesden jongen, die in niets uitblonk en zich op niets kon voorstaal.. Ja — daarop wel, dat hij zielsveel van haar hield. Machtig veel, met onpeilbaar diep gevoel.
* , *
* *
Nu zat zij stil, zijn mooie Roos, zoo ongevoelig-stil. Hoe was dat mogelijk ? Zij was immers de bruid, zijn bruid ; zij waren deze ochtend ondertrouwd. Velen van hun intiemsten waren gekomen om hen geluk te wenschen en meer dan een onder hen moet hem hebben benijd ; hem, den uitverkoren bruigom, den gelukkigen minnaar van de mooie Roos Goudeket.