188 TROUWEN.
moe en lusteloos. En — een ziekelijk verlangen naar rust — golfde in hem op......
Rust — rust--verlangde hij. Niets
dan rust.
’t Verlangde in hem — zich neer te vlijen, de moe-zieke leden uit te strekken — op zijn bed......
Rust wilde hij — enkel rust.
Hoe heerlijk — hoe begeerlijk boven al, moest het zijn, snikte het in hem — zich te kunnen overgeven aan dat al-vergeten, die al-verzuchting — — die de slaap is. Dien te voelen komen, als een zachte, streelende moederhand.
— Rust — rust.
Rust voor zijn moede leden, zijn sidderende beenen. Rust voor zijn hoofd, voor die hel, waarin het gloeide en bonsde......
Nu schreide het in hem naar een liefde'