TROUWEN. 187
een leugenaar, een ploert —■ alles wat leelijk en min is. Ofschoon — dan weer — zou hij dat slechts voor zichzelf alleen zijn, daarvan zouden de menschen niets afweten. Dat was hij dan voor eigen Ik.
Weg, valsche gedachten — — vuile verleidingen. Wat kan hem ’s wereld oordeel schelen — — hij moet rein zijn in eigen oogen. Dat wilde hij — dus voortgemaakt en opgestapt.
Het laatste vonkje energie flikkerde in hem op — en hij scheen vastbesloten. Hij zou gaan......
Hij bleef. Zijn man-kracht verzonk en hij werd weer geheel zwakkeling.
Een zacht kreunen ontkroop zijn borst; zijn armen vielen slap langs hem neer. Het hoofd zakte voorover. De oogen — zich even sluitend van uitputtende vermoeienis, openden zich weer — — doch