186 TROUWENf.
den grepen in zijn haren — hij trok ze uit, in wanhoop en angst. Wat moest hij doen......?
Dan — toch maar gaan ? Hij had nog eenige uren voor zich. Gauw — geld bijeengezocht, wat kleeren gepakt — en dan voort — met den eersten trein naar Vlis-singen. Dan — met de ochtendboot naar
Engeland. Daar — zou hij wel zien......
Hij weifelde...... Zou Amsterdam, Hol
land, de menschen en de wereld — zou al wat hem kende hem dan niet verachten
als een lafaard...... die vlucht ?
Alweer — dat woord. Lafaard — lafaard I Ja — een lafaard — maar dat zou hij dan slechts voor de menschen zijn, niet voor zichzelven. Hij wist béter. De menschen — die wisten niets.
Als hij bleef — dan eerst was hij een lafaard — en erger. Een heiligschenner,