TROUWEN. 183
Hij rukte de ramen open. Frissche lucht stroomde verkoeling binnen.
Een schoone nacht zweefde in blauwgrijze pracht boven en om de aarde. Diep \iolen-blauw welfde zich machtig en rein over de slapende menschheid, vonkend met millioenen geel-bleeke sterren, als zoovele oogen der Goddelijkheid.
De maan, stil en grootsch, blonk als een verre wereld vol vrede en licht — een wereld zonder aandoeningen en zonder hartstochten.
Simon blikte op, vrede willend, vrede zoekend.
De maan, dat kalm-mooi aanzijn, dat waarlijk rustige en volmaakt passielooze, de maan deed hem denken aan Rosa.
Zoo was zij óok. Zoo was zij altijd tegenover hem geweest, koel en zonder hartstocht, om hem te beliegen met haar blan-