184 TROÜWEN.
ken lach, met haar onschuldige oogen.
Zoo was zij geweest, tot heden toe ; nu wist hij beter.
Doch nu was het te laat; morgen zou ze de zijne zijn.
Hij sidderde.
Neen — neen. Niet zal zij de zijne
wezen...... maar hij zal van héér zijn.
Dan — zal ze niet meer behoeven te zwijgen, te liegen en onschuldig te lachen. Dan is hij aan haar overgeleverd — aan handen en voeten gebonden, voor zijn leven lang...
O God...... overgeleverd aan haar--
aan een meid--de maitresse van een
goj. Snijdend gilde het in hem op : Lafaard 1 Lafaard......1
Laf 1
Een lafaard zou hij zijn — een honderdvoudige lafaard. Hij mocht niet met haar trouwen — hij mocht niet meeliegen — dien