182 TROUWEN.
De kalme oogen in dat koel gelaat knikten hem toe, zooals zij zoo dikwijls hadden gedaan.
Maar nu zag hij plotseling een schaduw langs haar gezicht trekken ; nu was zij, zooals hij haar eenige uren geleden had gezien.
Het hoofd neergebogen, de oogen betraand. Van berouw ? Misschien ook niet. Wellicht schreide zij slechts van spijt dat hij haar tot zelfbeschuldiging had genoodzaakt. Ja, van spijt.
Heviger dan tevoren laaide weer de woede in hem op. Hij sprong het bed uit. Hij wilde niet blijven liggen, met het beeld voor zich van haór, die niet van hem, doch van een ander was. Het was hem, als wilde zij bij hem komen, als lag ze reeds naast hem. Dan moest hij óók merken aan haar, het wezen van dien ander, van wien ze was geweest, van wien ze nóg was.