TROUWEN. 181
Zijn lichaam, alles werd warmer; het bed, de atmosfeer, de geheele kamer. Het was hem, als brandde er vuur onder zijn ledikant.
Toch vervaagden pijn en smart uit zijn denkvermogen, zijn verbeeldingskracht. En helderder dan ooit zag hij vooi zich, de gebeurtenissen der laatste dagen.
Duidelijk en scherp omlijnd zag hij h&ér, zijn Roos. Hij zag haar rustig-mooie gezicht. En, zelfbewust als altijd, blonken hem haar groote, blauwe, hartstochtlooze oogen tegen, oogen die, zoo rein-onschul-dig, een kind konden hebben toebehoord.
Ze hadden hem behoord, den eersten dag dat hij haar zag, die heerlijke, wijze oogen.
Hij zag het beeld zijner zinnen en het was hem, als sprak hij er tegen.
— Roos — ben jij het ? Hou je van me ?