180 TROUWEN'.
— Noe — uit jou wor m’n ook niks wijzer.
— Ehm — h’m — — knorde hij met vollen mond, hij wil niet open doen —
laat ’m serijse...... mot-ie zelf weten. Hij
heb toch goeie nacht gezegd — laat-ie dan slapen......
Zich om en om gooiend van koorts en zenuwachtigheid, doorwoelde hij het bed, slaand en schoppend van woede en vernielzucht. Zonder ophouden voelde hij een ondragelijk, als moker-bonzend pijnen in zijn hoofd.
De waterkraft ledigde hij driftig, glas na glas, met gulzig slokken. Maar het water verkoelde hem niet. Elke druppel scheen in zijn lichaam te verstoomen. Hij werd er benauwd van.