TROUWEN. 179
— Een groote kerel, morgen Lrouwt-ic, dat is waarachtig geen kind meer, mopperde hij.
Toch ging hij even naar boven. Hij vreesde, zoo hij niet ging, den volgenden ochtend reeds voor dag en dauw zijn vrouw te hooren verwijten, als de jongen gedurende dan nacht een beetje kiespijn of hoofdpijn had gekregen : „Zie je wel — het was jou gisteravond ook te veel evetjes na-bove te gaan ; orrenemmis lig ’t kind nou te krepeere van de pijn”.
Gedwee legde hij mes en vork neer en schommelde, half op den tast, naar boven. Twee minuten later was hij weer beneden.
— Nou — nou ? ondervroeg moeder hem angstig, met mond en oogen.
— Waas-isj-fiel......1 stootte hij onver
schillig uit. Hij schoof met breed gebaar aan tafel en stopte zijn mond vol.