178 TROUWEN.
Hij beeft op z’n beenen en-ie zegt goeie nacht. — Nou, goeie nacht, goeie nacht! Simon ging de kamer uit, stommelde de trap op.
— De jongen is doodziek — of d’r is wat anders met ’m en mijn wil-ie niks zegge, klaagde moeder.
— ’t Zal wel goedkomen, suste Rebecca. — Wat mot ’r goedkomme ? Jij sjmoest d’r gemakkelijk over. Ga tenminste met ’m mit — Jacob. Ga tenminste na-bove.
Hoor eve an de deur...... Uit die jongen
kan me niet wijs worre...... en zoo’n man
blijf zitte as ’n zoutpilaar......
Ongeduldig haalde de vader de schouders op. In zijn half-dronken brein begon het te dwarrelen, dat zijn vrouw was kindsch geworden. Waarom wilde ze hebben dat hij dien grooten jongen als een kind naar bed bracht en toedekte ?