IV.
De familie zat reeds aan tafel. Men middagmaalde vroeg, dezen keer; Simon werd niet meer thuis verwacht voor den eten.
— God zegen — daar is Simon 1 riep moeder geschrokken door zijn onverwacht binnenkomen. Wat is d’r an de hand — waarom zie je zoo bleek ? Is d’t wat met je gebeurd ?
— Een glaasje teveel, Sim ? schertste Rebecca.
— Is — mijn kamer...... klaar — Ik
— ben zoo — moe......
— Zeg dan eerst — wat ’t met je is —