174 TROUWEN.
— Dag, Sim !
— Beterschap, hoor 1
— Dag, schoonzusjes.
— Dag !
— Dag!
Hij drukte ze beiden de hand — dan liep hij door, van Rosa vergezeld. De meisjes brachten de fietsen weg. Bij het hek bleef hij even staan.
— Nu, adieu — ga naar de kinderen !
— Yan avond kom je zeker niet, Simon ? Misschien als je wat beter bent......
— Nee-e ! kreunde hij.
— En — en......
— Ga heen, Roos — laat me gaan......
Ik wil alleen zijn — laat me met
rust. Rusten — rusten......Mijn hoofd......
het bonst...... ik denk, dat ik gek
word......
— Ik — ik ga met je mee !