THOUWlïN. 167
ik nu, om ons volkomen rekenschap te geven van alles.
— Jij kon — niet anders, herhaalde hij nog eens. En daarom nam je mij maar ?
Mij, den sul — den goedbloed...... Ik
zou het potje wel dekken — ha-ha-ha 1
Groote God...... hoe moet je mij wel
minachten — dat je zoo’n verachtelijk
spel met me dorst spelen...... Hoe gelogen
was alles. Jegens mij — altijd even hooghartig en op een afstand. Niets kon je verwarmen — je inniger doen voelen —
en onderwijl was je je bewust...... de
minnares te zijn geweest van een ander......
de hoer van een goj.
— Simon I
’t Klonk als een wanhoopskreet.
— Simon — verlaat me niet — niet nu.
Bedenk — bedenk......Morgen zou het onze
trouwdag zijn...... ik zou niet kunnen......