166 TROUWEN.
gewone overmacht; haar gevoel kon haar niet lang meester zijn.
Ze weerhield een snik — droogde snel haar oogen.
De menschen — de menschen.........
Merkte men niets......?
Het tooneel had rondom hen geen aandacht getrokken. Eén voor één waren de tafeltjes ontruimd geworden, waren de gasten het park in gewandeld.
— Luister — Simon ! Jij noch ik — wij zijn geen van beiden op dit oogenblik
in staat...... om helder te denken en te
spreken. Daarom — laat je verbidden......
neem geen overijld besluit. Geloof me......
het was......ik was......ik kon niet anders...
— Jij — kon niet anders ? vroeg hij, ruw.
— Ik was veel jonger...... toen. We
waren allebei jong...... te jong — dat zie