TROUWEN. 165
— Is het...... is het......
— Ja !
Alhoewel dit woord verwachtend — trof het hem toch ontzettend. Hij voelde zich bleek, asch-vaal worden. Dan was het hem als voelde hij hevig steken — priemen
in zijn hart...... Duwde hij wanhopig de
vuist in de zij.
— O — o kreunde hij...... uit — uit 1
Nou is ’t — gebeurd......
Simon — Simon — wat — bedoel
je......?— Uit — alles is uit. Alles is nou dood.
Zijn stem werd doffer, onduidelijker.
— Maar — ik omeek je......... luister
eerst......
— Wat...... naar wat — luisteren.
— Hiernaar...... ik zal je zeggen......
De denkende vrouw in haar herwon haar