164 TROUWEN.
terde zij...... Jij — je weet niet...... je
kunt niet gelooven — hoeveel......
Hij hief de hand op — duwde die voor haar mond.
— Wat ga je zeggen......? Nee —
nee......1 Dat wil je immers niet zeggen...
Dat kan niet. Zeg nee — néé ! Ik wil het!
Hij was opgesprongen — sloeg haar schier zijn woorden in het gezicht.
Zijn gelaat was vuurrood — zijn stem klonk rauw, maar toch schitterden zijn oogen angstig in de hare als van een ge-ranselden hond, die de straffende hand wil bezweren.
Rosa voelde dat elke toestand haar nu liever was dan deze — dan hem te zien, neergebeukt onder den slag van haar bekentenis. Haar hoogheid vernietigd — gaf zij zich over aan de smart. Ze schreide...
— Simon — Simon......