162 TROUWEN
— Je zei — straks...... bij manier van
spreken, natuurlijk...... dat......
Je zei...... je waart de zijne geweest......
zooals hij van jou...... Maar je bedoelde
er niets mee...... wel, Roos ?
Het was gekomen...... Het doordrong
haar geheel. Al haar ontwijken en bemantelen, haar uitstellen, afweren en op een afstand houden — haar hooghartig
doen tegen hem...... het had haar niet
mogen baten. Ze had hem nooit gelegenheid tot intiem gesprek gegeven — zich-zelve nooit op het pad van vragen en antwoorden gewaagd. Den laatsten, cri-tieken tijd had zij zich als van een muur van gereserveerdheid omgeven cm, nóch door bekennen zich te vernederen — nóch door een logen, later zijn achting te verliezen...... Het had niets gegeven.