TROUWEN. 161
En — zich in gedachten verontschuldigend — liet hij toe, dat liefde hem weer in bezit nam — geheel. Teederheid ging
hem vervullen...... Rosa — zijn Roos......
zijn vrouw zou ze worden, van hem alleen... Dan kwam hem weer een woord van haar voor den geest. Direct vond hij het armzalig en min, dó&r een grooter beteeke-nis aan te willen geven, ’t Was dwaas van hem — dacht hij. Kende hij haar niet......?
— Rosa — vroeg hij, met onvaste stem... je zult me uitlachen, nietwaar ? Je zei het zoo maar — bij wijze van spreken.
Vreezend haar onrecht aan te doen, streelde hij haar hand.
Ze schrok — voelde — wist iets aankomen — wat ze had willen vermijden.
— Wat bedoel je, Simon ? vroeg ze vreemd.
11
SPR1NOBR, Trouwen.