156 TROUWEN.
— Dan hadt je hem ook niet waar lief.
— Niet 1 Heftig sloeg haar stem op......
doch dan sprak ze minder luid : Dat denk jij —■ dat denkt een ieder, die mij ziet, doch mij niet kent......
Even was het stil tusschen hen. Dan vroeg hij, schamper :
— Dus — toen je eenmaal wist...... dat
het nooit zou kunnen...... toen was ik
je goed genoeg......
Ze viel hem in de rede, nu weer zich-zelve meester, en kalm betoogend :
— Jij hield van me ; een ieder die ons tezamen zag, zei het. Ik zelf — geloofde het ook. Ik kon toch niet mijn leven slijten, met treuren en mijmeren over dingen die tot het verleden gingen behooren. Je vroeg
me...... Ik had achting voor je...... je
was werkzamer en niet zoo leeg als die kwasten.........