TROUWEN. 155
— Dat kan niet.
— Neen I Hij had een onderhoud met den opperrabbijn. Maar die zei : het jood-worden was altijd een dwaasheid geweest... Het betreft geen geloofskwestie — maar een rasverschil. En dan...... om toestem
ming en medewerking daartoe te verleenen,
had hij overtuigd willen zijn......dat louter
innige liefde voor het jodendom — op overtuiging gegrond......de eenige drijfveer was.
......En zijn eenige drijfveer was met
mij te kunnen trouwen.
— En dus......?
— Wat moest ik doen ? Trouwen, zonder toestemming van mijn vader wou ik niet — kon ik niet. Ik kon mij niet heele-maal losmaken — van alles — met de zekerheid voor oogen, een groot deel van mijn leven armoede te lijden. Ik ben bang voor armoede.