152 TROUWEN.
Ik weet, omdat ik het heb ondervonden. Die crisis héb ik al doorstaan.
Hij is Christen — nou weet je het. Wat is het ? riep ze verschrikt.
Zijn trekken verwrongen zich — als leed hij hevige ziele-pijnen.
— Is ’t — is ’t waar ; heb jij een christen lief ? vroeg hij bitter. Een christen ? Dus
— jij bent — ook al aangeraakt...... door
den modernen geest, ’t Is de mode......
het nieuwe gebruik onder de uiterst modern-voelende jodinnen, schamperde hij.
Trotsch verhief ze het hoofd — bij dit gezegde.
— Wat — wat een gebazel...... wat
moderne geest. Ik had hem lief — ik heb hem nog lief! — Nou weet je het. Wat zegt mij het woord christen — welke waarde heeft het woord jood voor mij ? Hij was de mijne — ik was van hem. Dat was