TROUWEN. 151
aan hem gelaten...... Maar jij gaf geen
gelegenheid tot meerder weten — je dulde niet, dat ik er over sprak. Je school weg — eiken keer, achter je moeder, je zusjes en ten einde raad moest ik tot een kinderachtige list mijn toevlucht zoeken — om
mijn verloofde, mijn vrouw, morgen......
onder vier oogen te kunnen spreken.
Nou — nou — zeg het nou !
Wie is het — wien heb je lief!
Ken ik hem ? ? Is het een vriend — een familie-lid ? Waarschijnlijk ken ik hem. Wie is het ?
— Jij kent hem niet! En — wat jij
wilt...... leidt tot niets...... Nooit geeft
vader zijn toestemming......
— Hoe weet je......?
Zij schudde de beklemming al reeds van zich — richtte zich op.
— Ik weet — ik weet — zei ze hard.