TROUWEN. 153
mijn voldoening en mijn geluk. Hij begreep me — hij was de eenige ; hij was de mensch die mij leerde wat liefde is en wat het zeggen wil, lief te hebben.
— Roos — je weet niet wat je zegt......
Voel je dan niet de tegenstrijdigheid van
zoo’n verbintenis...... De natuur — ze
verzet zich......
— Ja — dat zei \ader ook...... Hij sprak
van „onmogelijk” en van schande. Hij zou me het huis hebben verboden — als ik Willem niet had opgegeven — als ik mijn huwelijk met hem had doorgedreven... Hij noemt een gemengd huwelijk een misdaad, die haar vloek met zich mede draagt
— heel het leven door...... Een vloek die
drukken zou, het zwaarst, op de kinderen...
Toen — gaf ik het op...... Was het
goed......? Ik weet het niet. Het had misschien nooit goed gegaan...... Nog nooit