150 TROUWEN.
Wat...... wat wou je me dan vragen ?
Waarom moest je me juist spreken ?......
Wat wil je weten ?
Dof klonk zijn stem.
— Alles...... alles I Je moet me nog
eens zeggen...... nog eens......
Je moet — de waarheid vertellen. En — onderwijl...... moet je je voor God over
tuigen — dat je — je zelve niet bedriegt.
Je moet...... er zeker van zijn...... dat
je van hem houdt...... dat je hem lief-
hebt......
— Maar...... waarom ?
— Waarom ? Omdat ik geen beul van jou liefde wil zijn ; ik wil mij niet door mijn ellendige lafheid — tot het uiterste laten voortdrijven......
Ik had...... hem willen leeren kennen,
zijn naam willen weten. Dan had ik mij opgelegd...... jou te vergeten...... en je