148 TROUWEN.
Dat slaat op jou...... Zijn vrouw, dat
ben jij — Jij — Jij — Jij. Jij bent zijn vrouw, de vrouw van een ander...... Nee
— ik bedoel niet...... \oor de wet, maar
door de liefde, die jelui verbindt.........
God kent geen heiliger band.
Mijn plan nu...... Het gebod............
Gij — Zult — Niet 1
Ik wist wat mij te doen stond. Ik zou mijn liefde — bedwingen. Maar eerst —
moest ik nog eens met jou spreken......
en dan. moest jij me alles zeggen. Dan......
zou ik handelen......al naar den indruk......
Nu zweeg hij. — Dikke druppelen weenden in zijn oogen en zijn trekken die zijn biecht meeleefden, treurden.
En heel zijn wezen beefde als in koorts
— bij de opzettelijke herinnering aan de smart en het lijden, wat hij had doorstaan.
Rosa was onder den druk gekomen van