TROUWEN. 147
Kan jij voelen, hoe het een man te moede moet zijn die zich een lafaard—een zwakkeling voelt? Ik was het — ik...... ik ben
het geworden...... door jou......
Ik behoefde je maar af te schrijven —
dacht ik i-omtijds en...... Maar neen......
welke reden kon ik er voor geven......?
Niet één. Niets wist ik van wat er tus-
schen jou en hem heeft bestaan...... Een
enkel woordje, wat ik je heb moeten ont-wiingen......
Dan...... in mijn brein ontkiemde een
gedachte...... ze groeide tot een vast
plan. Ik dacht...... als jij hem...... eerlijk
liefhad...... zooals je mij had doen......
veronderstellen...... dien avond...... en hij
jou...... dan mocht ik niet...... neen......
Roos — er staat geschreven : Gij Zult Niet Begeeren Wat Een Ander Toebehoort...... Niet zijn vrouw, noch......