146 TROUWEN.
Nu — zeker niet —■ nu hij moet dragen dat je een ander dan hem gaat toebe-hooren. Menschen die lijden — kan ik niet haten; jij zult zooiets wel ellendig zwak vinden. Ik kan het niet. Trots mij-zelven — moet ik mét hem voelen — een machtige drang in mij zet me aan tot meevoelen in zijn verdriet.
Dat nu — mijn kleinzielig medelijden, voel ik als een lafheid te meer. O — hoe, hoe durf ik hem beklagen — hoe kan ik
mij zelfs om hem bekommeren...... Hoe
kan ik denken aan zijn verdiiet, als ik zelf den voet op zijn hart zet.
O — door mijn laffe houding tegenover jou — door mijn lafheid tegen mijzelven — door mijn medelijden met hem, voelde ik mij, die dagen door — de ellendigste lafaard — de beklagenswaardigste zwakkeling......