TROUWEN. 145
— Je hebt mij zoo dikwijls — zoo langen tijd — beleedigd. Of — durf je nou nog volhouden, dat je van me hield — zooals je van den man moet houden met wien je voor altijd gaat leven. Neen —■ neen — je durft niet — je durft niet, omdat het zoo’n monsterachtig groote logen zou zijn......
En, ging hij nu stiller voort — weet je wat mij een tweede marteling was — even verschrikkelijk als dat ? Dat ik op weg was iets te nemen, wat niet het mijne was.
Jij — jij hebt een ander lief —■ hij, wellicht, jou. En toch — zou ik je trouwen ? Dat — zou een laagheid zijn — een ellendige, misselijke, laffe daad. Hem ken ik niet, ik weet niets van hem. Mijn instinct zegt me, hem vurig te moeten haten, omdat hij staat tusschen jou en mij. Maar dat kan ik niet — ik kan hem niet haten.
10
SPRINOER, Trouwen.