114 TROUWEN.
— Waarom ? — Had ik je soms — moeten afwijzen ? Jij — je scheen toen zoo véél van me te houden.
— Toen — ja I
Ja — ik zou het verschrikkelijk hebben
gevoeld...... het zou me hebben gesmart.
Maar — de tijd had me er wel overheen geholpen. En — de pijn zou lang niet zoo hevig zijn geweest — als die welke ik nu al veertien dagen doorsta.
Toen ik je vroeg...... en je zei ja, toen
dacht ik — hoopte ik, dwaas, dat je van me hield — dat je — dat je......
— Maar — dat was zoo...... ik hou
van je......
Schamper lachte hij.
— Ja — zooals je van een dier —van een kat houdt. Hier hondje — hier katje, een been — pak an ; en nou, vort — in je hoek.
— Simon — je beleedigt me I