TROUWEN. 143
— Je loog wel ! schreeuwde hij.
Hij moest zich bedwingen om niet op te springen — de tafel niet in gruizelementen te smijten — in wild gebaar, om zijn gemoed te luchten.
Maar die menschen...... die menschen...
— Je loog — je loog wel 1 siste hij in hartstocht. Was het geen logen — je belofte om mijn vrouw te worden — terwijl je hart op dat oogenblik —■ voor een ander sloeg ? Dat zei ik je toen al op dien ge-vloekten avond, maar al herhaalde ik het honderde malen, al schreeuwde ik je het al maar in je gezicht —■ het zou mij nóg geen lucht geven......
Dan zweeg hij en hij zakte in zijn stoel — als kracht-gebroken. Hij beefde.
— Hoe, kwam het gesmoord uit zijn mond — hoe heb je dat voor jezelf kunnen verantwoorden ?