142 TROUWEN.
logen”. Iedereen zei het. De kinderen langs de straat maakten er spelletjes op en al springend zongen ze :
— Ik lieg — gij liegt, zij liegt. Zij liegt. Zij — Zij — altijd Zij liegt. Nooit hij — altijd zij.
Ik hoorde al niet anders en ik kon het niet meer verdragen. Ik vluchtte de stad uit....
Maar — het gaf me niets. De golven, de strandstoelen, de wandelaars — ze wisten ook al niet anders dan......
— Simon......?
— Kan ik het helpen ? Aan het strand, in de bosschen en in de duinen, overal waar ik kwam, stond met gloeiende letters geschreven :
,,Ze heeft — maling aan je — ze houdt niet van je — ze liegt I En elk woord dat ze zegt — is een leugen meer......
— Ik loog niet — ik lieg nooit!