TROUWEN. 141
over je sprak...... Spreken — ik verdroeg
het niet...... het stuitte me als iemand iets
tegen me zei...... ik ging er voor uit den
weg......
Mijn slaap, al dien tijd — ik kan de uren wel tellen...... vanaf onzen ondertrouw. En dan nog — hoe sliep ik......
na halve nachten van hoofdpijn — van hartkloppingen.
De stad stond me tegen en het hinderde me, als menschen tegen me spraken. Weet je waarom ?
— Simon — ?
Haar blik — duidelijk dan haar mond
— smeekte. Haar hand uitstekend......zocht
ze de zijne — maar hij lette er niet op. Wanhopig-dof staarden zijn oogen de verte in......
— Als ik — op straat liep — hoorde ik honderdduizend maal zeggen „liegen”, „ge-