14Ö TftÓUWEN.
— Maar hemel, Simon — wie treitert... ? Ze zweeg. Aangevangen te spreken, in haar gewone koelheid en gereserveerdheid, voelde zij zich, met zijn oog op haar gericht, niet sterk genoeg haar zin te voleinden. Haars ondanks kleurend wendde
ze haar gelaat af......
—- Je zwijgt...... omdat je tegen beter
weten in, vraagt. Moet ik je dan nog vertellen hoe ik die veertien dagen heb geleefd ? — Geleefd ! Denk jij dat ik heb
geleefd, sinds dien avond dat je............
Ik heb gesidderd — gebeefd — gegriend — gesuft. Soms heb ik door de stad gedoold — als een zinneloos dier...... Er
gingen dagen voorbij dat ik niets gebruiken kon......
Thuis eten — met de familie...... dat
kon ik niet...... Ik kon niet verdragen,
dat Rebecca je naam noemde — dat ze