TROUWEN. 139
naar al wat hem beliefde te zeggen. En dan — zich vermannend, klonk zijn stem vaster.
— Nee — zoo behoef ik ook niet te spreken. Ik vraag je niet meer, of je wilt luisteren — ik éisch het.
— Jij — eischt ? In haar hard-blauw oog glitterde een straal van ongebreidelden hoogmoed ; weer richtte zij zich op. En —
als ik nu eens niet verkies te luisteren......
als ik me onttrek — aan je gepraat ?
— Dat doe je niet — bij God, dat doe je niet. Ik — ik heb het lang genoeg doorstaan......... dwing me niet tot schandaal......
— Zou — jij......?
— Ja ! Ik ben treiterensmoe — ik wil het eind ervan zien. Daarom — zal ik spreken — daarom wil ik — dat je blijft en luistert.