TROUWEN. 133
Rosa, in haar gewone-doen van zich met. alles bemoeien, wilde opstaan, doch Simon legde de hand op haar arm.
— Rosa ! zei hij.
Tsjing — tingelingelingeling...... tjing-
tjong-tjing......
De kleine list was gelukt. Nu kon hij praten — eindelijk......
— Alsjeblieft, meneer, fleemde de kell-ner, twee plombieres — twee vanille 1
— O — dank je. Zet maar neer, Anton. De jonge dames zijn een half uurtje fietsen.
— Fietsen, meneer — heel goed, meneer.
— Ze zullen wel niet lang wegblijven.
— Zooals u wil, meneer — heel best, meneer. Weg snelde hij weer, het blaadje al sneller op den duim draaiende.
— Wist jij dat ze zouden gaan fietsen ? Waar gaan ze heen ?
— Ja, ik wist het, ik heb ze gevraagd,