193
krachtig de hare drukte. „Voor mij is er ook niemand, want moeder heeft wel wat anders te doen dan zoonlief, die al die weken pret heeft gehad, van het station te gaan halen. Maar ’t hindert niks, wij hebben mekaar.”
En Toet, hem vol aanziend, zei zacht:
„Deze keer heeft ’t me geen zeer gedaan, dat er niemand voor mij was, want nu is er altijd iemand voor mij.”
„Zo is ’t. En nu nemen we fijn een taxi — ik heb nog net genoeg over — en dan rijd ik je naar je huis. Eerst even door die kakelende mierenhoop dringen en dan gaan we.”
„Dag! dag! tot gauw!” en nagewuifd door de anderen, holden ze vlug de stationstrappen af.
Toen spatte het troepje pratende mensen uiteen, gereed, ieder zijns weegs te gaan.
„Ik kom vanavond een beetje bij je na-praten!” riep Els naar Til.
Jet en Bob stonden handen schuddend onder de stationskap, waar Jet, die opgewacht was door haar jongere zuster, op het punt stond in een taxi te verdwijnen.
„Nou jongetje, denk aan je belofte en ga es een beetje studeren,” vermaande Jet.
„Als je me in de gaten blijft houden,” zei Bob en er was een mannelijker klank in z’n stem.
„We zien mekaar wel eens bij Bea. Nou, tot kijks dan!” een krachtige armzwaai van Jet, dan stapte ze, gevolgd door haar zuster in de taxi.
Als laatsten van het troepje kwamen Bea en Henk het station uit.
„Is ’t goed, dat ik je naar huis breng?” vroeg Henk.
„Natuurlijk, gezellig! blijf ’n boterham bij me eten, anders is ’t zo vreemd plotseling in m’n eentje te zijn.”
Toen Bea de deur van haar kamer open deed, stroomde een zoete rozengeur haar tegemoet.