192
hebben oog noch oor voor hun omgeving. Dodelijk vervelend zijn verliefde luidens toch.”
„Tom heeft het zwaar te pakken,” lachte Bea. „Hij denkt niet eens aan eten!”
Toen ze Rozendaal gepasseerd waren, begonnen ze allen onrustig te worden, ging de reis niet gauw genoeg om en verlangde ieder naar een joyeuse
aankomst.
„Hoera!” gilde Els, toen de trein het Centraal station binnenreed. „Ben-de’s mensen staan er,” kraaide ze, toen ze het hoofd uit het portierraam stak. „Halloh Daddy! dag moe-oe-oe-derr! bruin ben ik, hè?” en triomfantelijk, de „latten” over de schouders, stapte Els, als haantje de voorste, het eerst de wagon uit.
In een kring van familieleden en kennissen stond het troepje bruingebrande jonge mensen op het perron Hoera! gilde Eis. en meer nog dan bij
hun vertrek keken de passagiers, die de trein verlieten, nog eens met welgevallen om naar het gezonde, sportieve troepje. Wat apart van de anderen stonden T. en T.
„Zie je, m’n kind,” basde Tom, terwijl zijn arm