190
„Fijn, negerpop,” zei Els hartelijk en ze drukte even de gebreide want die naast haar onder de plaid lag.
Stil zat Bea naast Henk in de slede.
„Scheelt er wat aan?” vroeg hij bezorgd. „Je bent zo stil.”
„Ik neem dit alles nog eens helemaal in me op,” zei Bea, turend naar de witte bergen. „Ik heb nooit kunnen denken, dat het zó mooi zou zijn.”
„Volgend jaar zien jullie ’t allemaal terug. Waar ik dan zwalk mag Job weten.”
„Och, wie kan ’t zeggen, en stel, dat we gaan; is de tweede keer alles nog zó mooi als de eerste maal, dat je het zag? ik ga niet graag tweemaal naar dezelfde plaats.”
Henk lachte.
„Waarom lach je?”
„Om onze plechtige beloften van vannacht, hier ieder jaar terug te komen.”
„Nou ja, in zo’n pret-roes!”
„Bé?”
„Ja?”
Henk schraapte even z’n keel, dan vroeg hij: „Toen we die dagen samen op het zonne-terras zaten, toen heb ik het gevoel gehad, dat we elkaar nader waren gekomen, dan ooit tevoren. Heb ik het mis gehad?”
Even zweeg Bea en op haar smal gezichtje kwam een bijna pijnlijke trek. Dan, hem eerlijk in de ogen kijkend, zei ze:
„Het waren fijne dagen, Henk en er zijn ogenblikken geweest, waarin ik me volmaakt gelukkig heb gevoeld. Maar .... dat wat jij bedoelt, neen, Henk, dat is er niet geweest. Er was zoveel procent dankbaarheid voor al je goede zorgen en opofferingen, en zoveel procent van wat Tom eens in scherts „de romantiek van de witte bergen” noemde.”