188
met dat uitdagende alleen binnenkomen van haar, toen alles al zat. Niks dan raffinement; en voor wie slooft ze zich nou zo uit? Voor ’n handjevol sjappie’s!”
„Je hebt ’t maar weer eens ganselijk mis, jongetje,” stuitte Els zijn woordenvloed. „Moest ik er niet zelf bij zijn geweest, dat juffrouw Brenner haar na het masseren aanried om nog een uurtje te blijven liggen! Oh, die Manner! direct klaar met verdenkingen! Laat Bé nu in Godsnaam vanavond met rust, want ze heeft stierlijk ’t land aan de toespelingen, die hier gemaakt worden over jullie teder samenzijn van de laatste dagen.”
„Teder! ’t Zou wat! ze was voor haar doen lief en ze liet toe, dat ik haar verwende. Ik heb me er natuurlijk weer te veel van voorgesteld. Ook goed, ik zal ’t wel weer verduwen! Ze is lucht voor me! Ze zal geen last meer van me hebben.”
„Hè, jongen,” gromde Els, „bederf je eigen en een andermans avond toch niet! hoe gewoner je nou doet, hoe prettiger ’t voor Bé is. Je ziet nou alweer, dat het helemaal geen opzet van haar was om het laatst van allen binnen te komen. Voor die lelijke verdachtmaking ben je haar dit wel verschuldigd. Vooruit, ouwe waterrot, trek je snuit in een vriendelijker plooi en dan maar: van je héla! hola! houd er de moed maar in, zoals onze liefelijke volkszang ons leert!”
„Gelijk heb je!” stemde Henk in. „We nemen een stevige Jan Doedel en we zullen de boel eens op poten zetten!”
Het werd, zoals Els het naderhand zo kernachtig uitdrukte: een reuze gezellige pan! en zelfs mevrouw. Heinen werd er op het laatst van de avond door aangestoken en liet zich verleiden in alle statigheid een walsje met Vater Holland te doen.
Er werd eeuwige vriendschap geklonken, senti