185
arm bungelend door de sneeuw spankert. Zeg, wat kijk je me verscheurend aan! wat is er?”
„Dat gezanik met Henk moet nou eens uit zijn, begrepen? Ik houd niet van die malle toespelingen!” „Wat heb ik nou aan me — aan me Brettl’n hangen?” spotte Els. „Eerst zitten jullie als tortels bij elkaar en dan mag er weer opeens niets van gezegd worden. O, Beatrice, uw naam is ... April!”
De volgende dag, na het avond-eten, werd met koortsachtige ijver de eetzaal ontruimd voor de eind-fuif. Alles hielp mee en in minder dan geen tijd stonden stoelen en tafeltjes aan de kant en was de eetzaal herschapen in balzaal.
„Enig!” jubelde Els, die door het dolle heen was, „er komen vanavond nog gasten uit andere hotels en verschillende dorpsnotabelen. Handig van dien ouden vechtjas om uit onze afscheidsfuif nog een sla’tje te slaan!”
Toen gingen allen naar boven om zich te kleden voor het feest. Isa hielp Els in het aardige kleurrijke costuum, dat de Tiroler volksdracht weergaf en ze was verrukt toen Els kant en klaar was, verklaarde, dat „das Fraulein Els” een geboren Tiroolse was.
Daar Jet ze tevoren had gezegd, dat bij de afscheidsfuif de gasten zich meestal costumeerden, had ieder wel iets in z’n koffer gestoken, dat dienen kon om er een vreemd uitziend costuum van samen te flansen.
Toet, in sarong en kabaja, leek zo uit de Oost weggelopen en Tom, als Inlands bediende, een sarong, die wat te nauw was en waaruit z’n donkere pantalon te voorschijn gluurde, om z’n benen, op z’n dik hoofd een omgekeerd raffia fruitmand je, liep met het gebloemde parasolletje van Vrouwe Heinen achter Toet aan. Het gaf een gebrul toen het tweetal binnen kwam.
Henk was een ongure apach en zag er werkelijk