184
Toch fijn, Bé, ’t had ellendig geweest als jij niet mee had kunnen doen. Zeg, Bé, d’r is vast wat aan ’t handje met T. en T. Ze zijn gewoon als parkieten. Weet jij er iets van?”
„Pch, pch, pch!”
„Onuitstaanbaar ben je weer! Wat kan ’t mij ook eigenlijk bommen! Tenminste één paar van onze club dat mekaar gevonden heeft!”
„Ja.”
„Of is er nog een stel?”
Bea trok geheimzinnig de schouders op en Els verteerde van nieuwsgierigheid.
„Kun je je mond houden?” deed Bea gewichtig. „Kan ik er heus van op aan?”
„M’n eerewoord!” zwoer Els plechtig. „Zeg op! wie?”
„Vater Holland en ik!”
„Verhip!” zei Els nijdig, maar ze moest toch lachen toen ze aan de combinatie Bea en het Michelin-mannetje dacht en dan, zonder enige o ver gang: „Ik kan wel grienen als ik er aan denk, dat de koek overmorgen op is en we naar huis moeten! ik zou eeuwig in die zalige witte wereld willen blijven! Zeg Bé, ben ik lekker bruin gebrand? ja, hè? enig, finaal enig! wat zullen ze op school ogen opzetten! Ik ga morgen nog de hele dag zonnebaden! ik ben goed bruin, niet?”
„Je bent gewoon een moriaan!” lachte Bea.
„Hoe jij nog bruiner kon, dan je al was, is mij een raadsel! en het wit van je ogen steekt er griezelig tegen af. Je bent gewoon van Dalsum als de moor in Othello.”
„Je zult me morgenavond zien,” deed Bea geheimzinnig.
„Dik me zorg!” zei Els onverschillig, hoewel ze verschroeide. „Nou, ik ga een pietsie naar de Uebungswiese. Je mag vandaag buiten wandelen, hé? ik kom je bekijken, als je kwijnend aan Henk’s