178
uitgestrekte handen op haar af kwam. „Welkom in sneeuwland.”
„Allemaal Hollanders?” informeerde hij, toen hij hun groepje langs keek. „Eén er van ken ik,” herinnerde hij zich direct. „Iets met een e, juffrouw Let, Bet, Tet....?”
„Jet,” friste Ida z’n geheugen op.
„Natuurlijk, Jet. Dag, m’n beste kind, hoe gaat ’t? Ook weer op de latten? Natuurlijk! wie eenmaal z’n hart verloor aan die grote luciferstokken, die komt hier altijd weer. Skiheil kinderen, ik ga me ’n beetje opfrissen en vanavond open ik het bal met m’n oude vriendin Ida.”
„Een patente oude heer,” vond Bob, toen Vater Holland naar boven was getrokken.
„Ha!” juichte Els. „Daar is Isa met de post. Hoeveel is er voor mij bij, Isa?”
„Niets!” plaagde Isa en ze trachtte zich te verdedigen tegen een heel escadron gasten, dat probeerde haar de post afhandig te maken.
„Een reuze brief van m’n mima!” gilde Els en ze kroop met haar brief vlak bij de kachel.
„’t Is weer net als iedere dag,”’ dacht Toet verbitterd. „Iedereen krijgt wat, behalve ik. Dat tante nou niet eens één kaart van me beantwoordt! Ze stelt ’t natuurlijk weer van dag tot dag uit. Geen tijd! bridgen! en uit Indië ook niets. Ik heb ze toch al weken tevoren m’n adres gestuurd. Je kunt dood en begraven zijn en geen haan, die er naar kraait! Ze zullen hier ook wel eens denken: dat moet vast een draak van ’n schepsel zijn, die Toet Numan, geen levende ziel, die zich om haar bekommert!”
Toet keek met verdrietige blikken naar al die brieven en kaarten lezende mensen. Soms klonk een schaterlach op.
„Ik moest er geen cent om geven,” dacht ze. „Ik heb waarachtig genoeg pleizier in m’n leven tegenwoor-